De stichting Tegen-Beeld te Leiden

Het bestuur van de stichting Tegen-Beeld bij de uitreiking van de erepenning van de gemeente Leiden (v.r.n.l. Jan Willem Bruins, Ben Walenkamp, Hetty Leijdekkers, Piet van Veen en Caroline Griep).

Het bestuur van de stichting Tegen-Beeld bij de uitreiking van de erepenning van de gemeente Leiden (v.r.n.l. Jan Willem Bruins, Ben Walenkamp, Hetty Leijdekkers, Piet van Veen en Caroline Griep).

Het Leidse stadsbeeld is in de afgelopen jaren verfraaid met een groot aantal verrassende en fraai vormgegeven muurgedichten in de meest uiteenlopende talen. Ze maken deel uit van het project 'Gedichten op Muren', dat is gestart in 1992 met een gedicht van de Russische dichteres Marina Tsvetajeva. De muurgedichten zijn het werk van de stichting Tegen-Beeld. Maar behalve het aanbrengen van de muurgedichten organiseerde de stichting de afgelopen jaren nog vele andere culturele - meest literair geïnspireerde - activiteiten. Dit speciale deel van de website van 'de Muurgedichten van Leiden' is bedoeld om wat meer informatie te geven over de stichting Tegen-Beeld zèlf en over al die andere activiteiten.

De stichting

De stichting is opgericht op 3 januari 1989 onder de naam "2-, 3- of 24". Dit naar aanleiding van het voornemen een tentoonstelling te organiseren op 2-, 3- of 24 bruggen in de Leidse binnenstad. Nederlandse en Belgische kunstenaars werd gevraagd een ontwerp te maken op een door henzelf te kiezen brug en naar verluidt waren er prachtige ontwerpen bij. Door het uitblijven van een bijdrage van de belangrijkste subsidiegever (de Raad voor de Kunst adviseerde negatief) is het project afgeblazen.

In 1993 is de stichting omgevormd tot 'Stichting tegen-Beeld' met als hoofdactiviteit het ruime begrip 'Kunstbevordering'. Het bestuur bestond - en bestaat nog steeds - uit Hetty Leijdekkers (voorzitter), Piet van Veen (penningmeester) en Caroline Griep (secretaris). 'Tegenbeeld' (zonder verbindingstreepje) is een bestaand Nederlands woord met als betekenis 'tegenstelling' of 'tegenhanger van een ander beeld'. Gelet op het eigenzinnige karakter van de activiteiten van de stichting een bijzonder toepasselijke naam! Daarbij past ook dat de voorkeursspelling (van de stichting) inmiddels dicteert dat 'tegen-Beeld' geschreven wordt als 'TEGEN-BEELD' of tenminste als 'Tegen-Beeld' (de op deze website gehanteerde benaming). In de pers wordt helaas nog wel eens tegen deze regel gezondigd.

Strikt formeel genomen zijn Jan Willem Bruins en Ben Walenkamp geen lid van het stichtingsbestuur. Zij zijn evenwel de belangrijkste uitvoerenden en daarmee van doorslaggevend belang voor de activiteiten van Tegen-Beeld. Zonder aan al hun kwaliteiten recht te doen kunnen ze gekenschetst worden als respectievelijk kunstenaar en inspirator/organisator. Hun project 'Gedichten op Muren' hebben ze wel eens aangeduid als een uit de hand gelopen idee. Geboren in het cafe uiteraard, want daar komen ze elkaar al sinds jaar en dag tegen en hebben ze altijd de beste plannen gesmeed. Bruins heeft geschiedenis en Nederlands 'gedaan' en is daarna gaan schilderen: eerst tekstjes en reclames, naderhand plafonds, wanden en interieurs. Walenkamp beweegt zich al heel lang in de Leidse kunstscene, had er in de jaren zestig een galerie en een jazzcafe en heeft ooit societeit De Burcht opgezet.

De activiteiten

Naast het project 'Gedichten op Muren' (inmiddels in de volksmond 'de Muurgedichten' geheten) organiseert de stichting sinds 1998 jaarlijks een poëziemanifestatie in de openlucht aan de Nieuwe Rijn. Verder worden er diverse - al dan niet jaarlijkse - herdenkingen georganiseerd: de kranslegging bij het borstbeeld van Rembrandt; het levend houden van de herinnering aan Marinus van der Lubbe; de oprichting van 'de Stijl' in Leiden, enzovoorts. Ook zijn er incidentele activiteiten, zoals het meewerken aan de her-inrichting van de Beestenmarkt of het gerenoveerde zwembad 'De Zijl' met passende kunst.

Tegen-Beeld heeft het imago eigenzinnig te zijn: inspraak mag - medezeggenschap niet; publiciteit is goed - maar er zijn grenzen. En ook de relatie met de (lokale) overheid blijft kritisch. Zo weigerde Tegen-Beeld in 2000 de koningin te ontmoeten toen het haar behaagde haar verjaardag in Leiden te vieren (zie ook de krantenberichten die hieronder zijn opgenomen). De stichting was door de gemeente gevraagd een vers af te maken juist op het moment dat de vorstin langs zou komen. Ook zou één van de leden het gedicht mogen verklaren voor de koningin en haar gevolg. De stichting heeft het verzoek echter van de hand gewezen. "We hebben er drie weken over nagedacht, maar het merendeel van de leden van Tegen-Beeld vindt zichzelf republikein", zei Ben Walenkamp, als woordvoerder van de stichting. "We zijn altijd bereid om de stad te promoten, maar ik ga niet voor gek staan voor een sprookjesprinses." De stichting was bovendien niet tevreden met de plaats waar het muurgedicht zou moeten komen: op de hoek van de Pieterskerkchoorsteeg en de Langebrug. Uiteindelijk was hier wel een op een doek gedrukt gedicht te zien. Zonder toelichting van Tegen-Beeld natuurlijk.

Niet onvermeld mag blijven de belangrijke bijdrage die ook diverse andere personen en bedrijven door hun inzet en/of sponsoring aan de activiteiten hebben geleverd.

Waardering

De stichting Tegen-Beeld krijgt vrijwel uitsluitend positieve reacties op haar activiteiten. Vooral de in het oog springende muurgedichten scoren hoog bij zowel Leidenaren als mensen van buiten de stad. Buitenlanders raken ontroerd als ze een gedicht in hun moedertaal tegenkomen. En met zowel Nederlandstalige gedichten als in circa 30 verschillende andere talen behoeft bijna niemand zich buitengesloten te voelen. Door de combinatie van vorm en inhoud vormt elk muurgedicht een kunstwerk op zich.

Een extra reden om op deze website nu ook de andere activiteiten van Tegen-Beeld te belichten is de toenemende waardering daarvoor, die zichtbaar werd met de toekenning van een tweetal belangrijke prijzen. Allereerst ontving de stichting voor haar totaal aan activiteiten na drie eerdere nominaties in 2003 de 'Zilveren Veer'. Dat is de belangrijkste prijs voor culturele inspanningen in Leiden en omgeving. Vervolgens kreeg Tegen-Beeld in 2004 de erepenning in goud van de gemeente Leiden. Ook op de toekenning van deze prijzen wort op deze site nader ingegaan.

Artikelen over Tegen-Beeld:


Op

Een poŽtische windvlaag trekt over de stad

Wat hebben gedichten van Marsman, Pessoa, Borges en Yeats met elkaar te maken? Niets behalve dat ze in Leiden ťťn voor ťťn op een muur verschijnen. Een vrolijke confrontatie met het toeval van het tegenbeeld.

Nee, ze hebben niets tegen de gedichtjes van Toon Hermans. 't Zijn best leuke teksten, soms. En er zit ook wel eens een diepere gedachte achter. Maar het is geen poŽzie, vinden ze. Daarom hangt er in Leiden ook geen 'Toon Hermans' aan de muur. Annie M.G. Schmidt trouwens ook niet. Prima mens, prima werk - maar niet geschikt om op een buitenmuur te schilderen.

Jan Willem Bruins en Ben Walenkamp zijn er heel duidelijk over: de 30 gedichten die zij in de afgelopen drie jaar in Leiden op zijgevels en zijmuren hebben aangebracht, zijn hun persoonlijke keuze. Met elk van die poŽtische wandversieringen hŤbben ze iets. Als een gedicht hen niets doet, doen zij ook niets met dat gedicht. Ze laten zich door niemand sturen en dat is de grootste lol die ze aan hun project beleven.

Of project, het is meer een uit de hand gelopen idee. Geboren in het cafť uiteraard, want daar komen ze elkaar al sinds jaar en dag tegen en hebben ze altijd de beste plannen gesmeed. Bruins (49) heeft geschiedenis en Nederlands 'gedaan' en is daarna gaan schilderen: eerst tekstjes en reclames, naderhand plafonds, wanden en interieurs. Walenkamp (55) beweegt zich al heel lang in de Leidse kunstscene, had er in de jaren zestig een galerie en een jazzcafť en heeft ooit sociŽteit De Burcht opgezet. Hun eerste gedachte was Nederlandse en Belgische kunstenaars te vragen 23 bruggen in Leiden onder handen te nemen. De gemeente was al akkoord en het idee uitgewerkt, maar ze kregen het benodigde miljoen niet bij elkaar. Toen kwamen ze op de gedichten.

Het was in 1992, 75 jaar nadat Theo van Doesburg op het Galgewater in Leiden het maandblad De Stijl had opgericht. Daar wilden Bruins en Walenkamp iets 'groots' mee doen, als eerbetoon. Ze wilden twintig gedichten van I.K. Bonset, de schuilnaam van Van Doesburg, verspreid door de stad op muren schilderen. Bruins: “We hebben het toch maar niet gedaan. Qua vorm en typografie zijn de gedichten wel mooi, maar inhoudelijk vind ik ze niet geweldig. Die zouden op een muur toch te steriel worden.” Uiteindelijk heeft Bruins als hommage aan Van Doesburg 'De Twee Kwadraten' van diens kunstvriend El Lissitzky (een zwart en rood vierkant) geschilderd op de wand van de oude Meelfabriek - voor veel Leidenaars het lelijkste bouwsel van de stad. Het vignet van De Stijl werd aangebracht op het Galgewater.

Het idee van de gedichten liet hen echter niet los. Begin 1993 richtten zij met Hetty Leydekkers de stichting Tegen-Beeld op en beloofden zichzelf vůůr het jaar 2000 honderd gedichten op Leidse muren te zetten, 'De honderd doden' van Garcia Lorca bij de eeuwwisseling als laatste. Van de eigenaar van Templum Salomonis, een antiquariaat in de schaduw van de Pieterskerk, kregen ze toestemming om tegen zijn gevel een Russisch gedicht te schilderen. Van Marina Ivanova Tsvetajeva, of 'Marina T.' zoals Bruins haar noemt. 'Mijn verzen komen, zoals goede wijnen, / Nog wel eens aan de beurt' in vertaling. Meteen daarna volgde Shakespeare om de hoek van het Rapenburg, in de Houtstraat.

Veertien gedichten per jaar erbij is de opzet van Bruins en Walenkamp. Mťťr redden ze niet, ťťn gedicht schilderen kost ze een week. Deze week moet nummer 31 op de muur, een Poolse. De uitvoering is niet het moeilijkste werk: ze komen voorrijden met hun aanhangertje, bouwen zelf de steiger op en dan gaat Jan Willem Bruins naar boven met z'n 'potten en pannen'. De typografie bepaalt hij vaak ter plekke, de achtergrond (“Soms is een muur heel slecht of heel saai”) en de kleur ook. En als het gedicht 'hangt', breken ze de stellage snel weer af en smeren 'm om de plek een tijd hartgrondig te mijden. “Zo, die hangt”, zegt Bruins dan. “Het is net een bevalling. Blij dat je er vanaf bent.”

Het uitzoeken, het lezen, de onderlinge discussies - welk gedicht op welke muur? - dat kost de meeste tijd. Ze willen beslist niet alleen Nederlandse poŽzie en ze willen al helemaal geen lijst van de 'honderd mooiste of beste gedichten'. Bruins: “PoŽzie is universeel. Zeker in een stad als Leiden, waar mensen uit de hele wereld wonen en werken. Als je de geschiedenis van Leiden bekijkt, hebben lieden uit de meest uiteenlopende culturen hier onderdak gekregen. Als vluchtelingen, maar ook via de universiteit. Op het gebied van talen is hier een grote traditie. Daar maken we ook dankbaar gebruik van. Er zijn hele volksstammen op de universiteit voor ons aan de slag.”

Ze fietsen nogal eens door de stad met z'n tweeŽn, muren kijken. Als ze 'wat aardigs' tegen komen, bellen ze aan met de vraag wie de eigenaar is - een particulier, de woningbouwvereniging, de gemeente. Van Studentenhuisvesting hebben ze inmiddels al de vrije hand gekregen: daar hoeven ze niet eens meer toestemming te vragen om te mogen schilderen. Ook de gemeente laat Bruins en Walenkamp hun gang gaan met hun gedichten. Zelfs Monumentenzorg, die in Leiden een stevige vinger in de pap heeft, legt zich schoorvoetend neer bij de poŽtische windvlaag die over de stad trekt. 'Misterio' van de Chileen Jorge Eduardo Eielson, 'De Val' van Marsman, Verlaine, Pessoa, Borges, Hans Lodeizen, Apollinaire met een prachtig maar onvertaalbaar gedicht, indiaanse en Arabische poŽzie en Jan Hanloo met 'De Mus' (Tsielp, tsjielp, tsjielp, tsjielp, etc.)

Het is een verrijking van de stad, vinden veel inwoners. Bruins en Walenkamp worden al regelmatig gebeld. Door Leidenaars die ook een gedicht op hun huis willen. Walenkamp: “Soms wordt er gezegd: 'We hebben hier een leuk muurtje. Kan daar geen gedichie op? We dachten aan iets van Toon Hermans of zo.' Kijk, dan zeggen we 'nee'. Dat past niet in ons idee. Of de eigenaar met een prachtige muur komt aanzetten met een gedicht van J.C. de Vos: nou, dat is gewoon rijmelarij. Discussie gesloten. 'A Coat' van Yeats kan hij krijgen, of anders niets. De gedichten moeten wel op de een of andere manier 'klassiek' zijn.”

Werk op bestelling is er niet bij. Bruins krijgt het in ieder geval niet uit z'n verfkwast. “Dan ben je een uitvoerder en dat wens ik niet. Vaak zeggen mensen: 'Doe mij maar een gedicht, maar wel in het Nederlands.' Nou, niet dus. Van de honderd gedichten, zullen er straks een stuk of twintig Nederlandse zijn. Dat is al vrij veel.”

Bangigheid is het, vult Walenkamp aan. De angst voor een vreemde taal. “Je moet opboksen tegen die mentaliteit van 'eigen taal eerst'. Daar word ik langzamerhand wel treurig van. Terwijl overal de vertaling wordt bijgeleverd, Nederlands en Engels. Als ik een muur zou hebben, zou ik die vreemde woorden of tekens daarop wel spannend vinden.”

De Lucas van Leydenschool kreeg 'Lobelia' van Bonset aan de gevel. 'Op mijn tafel staat een inktpot, ligt een smerig eindje touw'. Het gedicht is nu met de school vergroeid, de kinderen kennen het uit hun hoofd en als Jan Willem Bruins een van hen tegenkomt in de stad, groeten ze hem luid met 'Lobelia'. Van het gedicht zijn inmiddels 24 vertalingen gemaakt en gezeefdrukt, voor alle nationaliteiten die de school telt. Ze hangen op de binnenplaats en hebben een grote uitstraling op de leerlingen, zegt Walenkamp: “Het bevordert de gelijkwaardigheid, dat merk je meteen. Een Arabisch kind en een Hollands kind zien hetzelfde gedicht in hun eigen taal op de muur.”

Ze hebben een lijst van muren in hun hoofd en een lijst van gedichten die ze nog willen schilderen. Die twee worden niet computergestuurd in elkaar geschoven, het is vaak het gevoel dat hen leidt. “Soms verandert op de dag van het schilderen zelf nog de keuze van een gedicht. Dan hebben we iets in ons hoofd en staan we voor zo'n stuk muur, maar dan zien we er toch van af. Instinctief.”

Naast de inhoud bepaalt ook de vorm van een gedicht of Bruins het in de verf zal zetten. Hij heeft net 'Aku' ('Ik'), een Indonesisch gedicht, geschilderd. Het is een aanklacht van Charil Anwar tegen de situatie van de mensenrechten in zijn land. Op 17 augustus was het gedicht klaar: een bewust gekozen datum, op de vijftigste verjaardag van de Indonesische republiek. VerzetspoŽzie hoort erbij, vindt hij. “Af en toe moet dat, al wil ik niet de indruk wekken dat ik zo graag de wereld wil verbeteren. Het gaat ons om de schoonheid van de taal. PoŽzie moet iets mysterieus hebben. 'Dwars op de woorden staan de betekenissen verdekt opgesteld', schreef Arie Visser 25 jaar geleden. Dŗt heb ik met gedichten. Zo'n zinnetje als 'Into the street of the sky light scattering poems...' van E. E. Cummings, dat moet erop.”

Ook Ben Walenkamp heeft van die persoonlijke gedichten, zoals 'De Waterlie' van Frederik van Eeden. Week-in week-uit hoorde hij het op dinsdagmorgen op de radio. “Gied Jaspers las het voor. En wel zo prachtig, dat je het op een gegeven moment niet meer loslaat. 'Ik heb de witte waterlelie lief ...' Het hangt nu op een flatgebouw in de Merenwijk, waar nog al wat gewone Nederlanders en buitenlanders wonen. Het is een heel begrijpelijk gedicht, bewust gekozen. Je kunt wel een heel abstract ding nemen dat niemand begrijpt, maar dan schiet je je doel voorbij. We krijgen enthousiaste reacties uit de wijk. Jan Willem heeft er ook een prachtige achtergrond bijgemaakt, beetje Verkade-album-achtig, met een waterlelie. We hebben daar nÚg een muur of vier uitgekozen: die willen we een Surinaamse, Arabische, Turkse en misschien Engelse tekst geven.”

De gedichten zijn fotogeniek. Toeristen uit alle windstreken blijven staan, schieten films bij het leven en bellen aan om te horen waarom een gedicht uit hun taal daar hangt. Van Griekenland tot Hongarije en van Rusland tot Japan maken kranten er melding van. Een Balinese dichter kondigde een reportage in een Indonesisch blad aan. Toen Jan Willem Bruins naast het Academiegebouw op het Rapenburg een Japanse haiku van Basho stond te schilderen, raakte een groepje Japanse toeristen er niet over uitgepraat. Waar Bruins zijn calligrafie-cursus had gevolgd, wilden ze weten (“Nergens, het waren mijn eerste Japanse tekens”). Een massale buiging was zijn beloning.

Maar ook de Leidse vuilnismannen vinden het leuk en toeteren luid, als ze Bruins op de steiger aan het werk zien. In het buurtcafť koesteren ze 'hun' gedicht en het komt zelden voor dat de poŽzie met graffiti wordt ondergespoten. Vakschilders blijven met open mond staan hoe hij op het oog en uit de losse pols zijn zinnen schildert. “Wat Jan Willem doet, is een uitstervend beroep”, zegt Walenkamp vol bewondering. “En dat zonder enige opleiding. Meestal klimt hij naar boven en roept naar beneden: 'Ben, sta ik zo goed?' Of: 'Moet hier het vlak beginnen?' En dan gaat hij aan de slag. Hij heeft nog nooit iets over hoeven doen.” Er zitten wel eens wat foutjes in een tekst, bekent Bruins. “Dan ben je je concentratie even kwijt. Soms ken ik een tekst bijna uit m'n hoofd en ben ik in gedachten al verder dan het woord dat ik sta te schilderen. Agua in plaats van aqua, of een paar letters vergeten. Maar dat halen we er wel uit.”

De VVV zou het liefst een route langs de gedichten uitzetten of er een boekje van maken. Maar daar voelen Walenkamp en Bruins niets voor. “Dat is ook onzin”, zegt Walenkamp. “Je kunt niet van gedicht A naar gedicht B lopen, hup Shakespeare en dan weer een Japanse haiku. Als je het ene goed leest, kun je geen ander gedicht tot je nemen. Het gaat ons om het toeval: je loopt door de stad en stuit ineens op een gedicht. Als je tijd hebt, blijf je staan. Of je loopt door en leest het een andere keer.”

Ze krijgen inmiddels naast gemeentesubsidie geld van een paar fondsen. En elke eigenaar van een gevelgedicht betaalt tweehonderd gulden. Daarnaast moeten er handenvol geld bij, al was het maar vanwege de bordjes en de vertalingen. Maar het idee dat ze op hun manier een stempel zetten op de stad, is het ze waard. Slauerhoff moet nog, Achterberg, Yeats misschien (als die ene huiseigenaar tenminste door de bocht gaat), een gedicht in het Sanskriet is nog een grote wens. Nummer 100 ligt vast, maar wat het 60ste gedicht zal zijn of het 74ste weten ze niet. “Stel dat je dat wel wist, en ook nog de muur waar het opkomt, dan zou ik het niet op kunnen brengen”, zegt Bruins. “Dat zou dodelijk zijn voor het project”, voegt Walenkamp eraan toe.

(Haro Hielkema in Trouw van 31 augustus 1995)


Op

Leidse muren zijn poŽtisch

'Pourquoi la chŤre couleuvre se love de la mer jusqu'ŗ l'espoir attendrissant l'Est', danst de dichtregel van Guillaume Apollinaire (1880-1918) in zijn kubistische typografie over de zijgevel. Hij siert, roodbruine pasteltinten op versgesaust mauve, het studentenpand Kloosterpoort/ Middelste Gracht, hartje Leiden. 'Loin du pigeonnier' is nummer 22 in een reeks muurpoŽzie die eind 1992 van start ging met een gedicht van Mariana Ivanavno Tsvetajeva op de gevel van antiquariaat Burgersdijk , Niermans in de Kloksteeg. Voor de eeuwwisseling zal het project met een honderdste gedicht zijn voltooid.

'Gedichten op muren' is een initiatief van Jan Willem Bruins, Hetty Leydekkers en Ben Walenkamp, verenigd in de Stichting TEGEN-BEELD. GedrieŽn maken ze een selectie, waarbij voor niet-westerse poŽzie advies wordt ingewonnen bij ter zake kundigen aan de Leidse universiteit. Zo verscheen er een Hebreeuws gedicht op de hoek Herengracht/ Groenesteeg, kreeg het pand Rapenburg/ Nonnensteeg een klassiek-Japanse haiku en heeft Leiden Zuid-West sinds kort een Arabisch gedicht. Andere schriften, zoals het Armeens of het Sanskriet, komen nog aan de beurt.

Het begon allemaal in 1992 met de herdenking van 75 jaar De Stijl. Het idee was toen Leidse muren te beschilderen met de poŽzie van I.K. Bonset, alias Theo van Doesburg, welke kunstenaar destijds aan het Kort Galgewater werkte. Jan Willem Bruins: "Zijn gedichten waren aardig van vorm, maar de inhoud viel tegen. Niettemin is uit dat eerste idee het plan voor poŽzie in de talen van de wereld gegroeid, met als motief dat Leiden in zijn geschiedenis de meest uiteenlopende culturen onderdak heeft geboden."

De gedichten staan op muren die vanaf de openbare weg zichtbaar moeten zijn. Geliefd zijn studentenpanden - Studentenhuisvesting heeft het trio carte blanche gegeven - maar ook bij particulieren wordt aangebeld. De binnenstad heeft de meeste poŽzie, maar de buitenwijken volgen, al was het maar om de gedichten lucht te geven. Steeds vaker gebeurt het dat huiseigenaren zelf hun gevel aanbieden. "Maar dan hebben ze tegelijk een gedicht in hun hoofd en dat gaat mooi niet door", zegt Jan Willem Bruins. "Het is en blijft onze keuze. Als een school ons vraagt en de leerlingen erbij wil betrekken, vinden wij dat best zolang ze uit twee gedichten van Lucebert kiezen die wij hebben aangedragen. Er zit een rode draad in onze keuze, veel gedichten verwijzen naar zichzelf, gaan over taal."

Per seizoen schildert Jan Willem Bruins zo'n veertien gedichten. Hij heeft het kalligraferen zichzelf geleerd, in de tijd dat hij als eeuwig student in Ben Walenkamps jazzcafť 'De twee spiegels' werkte en er affiches moesten komen om artiesten als Ben Webster aan te kondigen. Tegenwoordig verdient hij zijn brood met wand- en plafondschilderingen. "Heb je een bepaalde muur in je hoofd, dan zoek je er een gedicht bij dat visueel strookt", zegt de Leidenaar. "Soms heeft een muur een versteviging nodig, in de vorm van een vlak of een driehoek. Ik gebruik veel pasteltinten, dat gaat gevoelsmatig. Ter plekke bedenk ik de vorm en de typografie."

Is de keuze gemaakt dan komt er een steiger. Afgezien van horizontale lijntjes schildert Jan Willem alles uit de losse hand. "Het is een explosie van concentratie", zegt hij, "anderhalf uur per regel, drie dagen per gedicht." Heel af en toe sluipt er een foutje tussendoor: in 'Misterio' van Jorge Euduardo Eielson, op het Noordeinde, staat een keer 'aqua' waar het 'agua' had moeten zijn en bij Kavafis, hoek Turfmarkt/ Caeciliastraat, zijn een paar woorden weggevallen. "Te zijner tijd zal het worden hersteld", verzekert de schilder.

"Zonder de gave van Jan Willem was er helemaal geen project", benadrukt Ben Walenkamp.

Inmiddels is men gevorderd tot nummer 30. Een kwart is Nederlandstalig. 'Zet het blauw / van de zee/ tegen het / blauw van de / hemel veeg / er het wit / van een zeil / in en de / wind steekt op' dicht Willem Hussem in monumentale witte letters tegen een achtergrond van hemelsblauw boven marineblauw. Bij het oranjerode Tjielp etc. van Jan Hanlo in de Langestraat dwaalt de blik van de toeschouwer onwillekeurig naar de dakgoot om te zien of daar soms geen mus zit. Verlaine is er, en Pessoa, Borges en Shakespeare, maar mysterieuzer is de taal van de Noordamerikaanse Creek-indianen: 'Hi yomen Kawetulke Yahola ...' verhaalt een muur op de Nieuwe Rijn in kloeke kapitalen van een wervelwind op de prairie. Ook hier zijn vorm en inhoud ťťn.

Van graffiti of andere vernielzucht hebben de geschilderde Leidse gedichten verrassend weinig last. Hans Lodeizen in de Haarlemmerstraat - korenblauw op zwart - is een keer bespoten, maar dat is een uitzondering, en het schilderwerk is snel gereinigd. "De gedichten dwingen door het vakwerk van Jan Willem respect af", verklaart Ben Walenkamp. "Apollinaire staat tussen de sociale woningbouw, die mensen kunnen het niet lezen en weten niets van poŽzie. Toch vinden ze het prachtig, het wordt door zo'n buurt geadopteerd en sommigen leren het uit hun hoofd."

En de wandelaar? Die ondergaat de sensatie van kleur, vorm en typografie, van vlakke poŽzie in een driedimensionale ruimte van uitstaande ramen en muurankers. Voor de literaire beleving is er een perspex bordje op ooghoogte met de Nederlandse en Engelse vertaling. Bij Apollinaire ontbreekt het nog. "We hebben 'Loin du pigeonnier' al aan vijf vertalers gegeven", zegt Jan Willem Bruins, "het is bijna onvertaalbare oorlogspoŽzie over een troepenmacht op de vlucht."

Er zijn sponsors voor dit prachtproject, niettemin moeten er zakken met geld bij. Toch vertrouwen de drie poŽzieliefhebbers van TEGEN-BEELD erop dat ze de honderd zullen halen. Van te veel vooruitdenken willen ze niet weten, 'anders gaat de lol eraf', maar de titel van hun laatste gedicht hebben ze al: 'De honderd doden' van Garcia Lorca.

(Dirk van Delft in de NRC van 15 juli 1995)


Op

Tegen-beeld weigert ontmoeting met vorstin

Merendeel vindt zichzelf republikein

Koningin Beatrix zal tijdens Koninginnedag geen kennismaken met de leden van stichting Tegen-Beeld. De stichting, die in Leiden gedichten in allerlei talen op muren schildert, was door de gemeente gevraagd een vers af te maken juist op het moment dat de vorstin langs zou schrijden. Ook zou één van de leden het gedicht moeten verklaren voor de koningin en haar gevolg. De stichting heeft het verzoek echter vriendelijk doch dringend van de hand gewezen.

"We hebben er drie weken over nagedacht, maar het merendeel van de leden van Tegen-Beeld vindt zichzelf republikein", zegt Ben Walenkamp, woordvoerder van de stichting. "We zijn altijd bereid om de stad te promoten, maar ik ga niet voor gek staan voor een sprookjesprinses."

Hij benadrukt dat de actie van Tegen-Beeld niet persoonlijk tegen de leden van het koninklijk huis is gericht, maar dat de kunstenaars een monarchie ouderwets vinden. "We wilden eigenlijk geen ruchtbaarheid geven aan onze weigering, maar blijkbaar is er gelekt."

De stichting was ook niet tevreden over de plaats waar het gedicht moest komen: op de hoek van de Pieterskerkchoorsteeg en de Langebrug. Fons Delemarre, woordvoerder van de gemeente, respecteert het besluit van de stichting. Jammer vindt hij het wel. "Tegen-Beeld maakt mooie dingen, maar helaas dus niet op 29 april".

(In het Leidsch Dagblad van dinsdag 28 maart 2000)


Op

Het Gezamenlijk Cadeau

En dan is er één jarig en dan moet iedereen maar meedoen met Het Cadeau. En eigenlijk wil je niet, want je kent hem/haar niet, je vindt hem/haar eigenlijk een kapsoneskwal met een raar loopje of een iets te harde stem, of een rare smaak in hoedjes. Maar je doet het toch. Waarom?

Omdat het van je wordt verwacht.
Omdat het 'ach joh, best leuk' is.
Omdat al je collega's meedoen.
Omdat ze je aanstaren als de geÔmproviseerde kantoorcollectebus aan je hoofd komt zeuren.
Omdat ze het kunnen zien als jouw naam niet op de verjaardagskaart staat;
het is sociochantage van de meest gecultiveerde soort.

Dus als die bruine dwingende envelop langskomt en je wordt verzocht een bijdrage te leveren voor Het Gezamenlijke Cadeau, dan geef je iets te grif. En je weet dat je eigenlijk zwijggeld betaalt aan je twijfel en je schuldgevoel. En natuurlijk ga je vervolgens naar het feestje, want daar heb je goed beschouwd ook voor betaald. En daar is het handjesschudden bij inbegrepen. En het is een voorrecht om bij de directeur met de te harde stem uitgenodigd te worden. De man die zo ver van je af staat dat je hem in je carrière drie keer voorbij zag lopen.

En terwijl je rondwandelt en gastvrijheid geniet vraag je je af of een verjaardagsvisite hetzelfde is als een beleefdheidsbezoek. Wie die man met dat rare loopje nou eigenlijk is. Of ze een pompje of een stukje zeep in de wc hebben. Wie het cadeau heeft gekocht, hoe duur het was. En je beseft dat je niet eens weet wat het cadeau is. Je probeert je te herinneren wanneer je voor het eerst uit eigen beweging een cadeau aan iemand hebt gegeven. Een tekening voor Sinterklaas. Rond 5 december had je als klein kind elk jaar visioenen van een huis ergens in Spanje waar de muren waren behangen met kindertekeningen. En je denkt aan die koningin en vraagt je af of die misschien ook is verzonnen. En hoeveel Haagse hopjes, Zeeuwse babbelaars en Leidse kaas je kunt je stapelen in een paleis. En of ze dat uit nationaal plichtsbesef allemaal zelf opeet. Of dat ze wel eens wat weggeeft aan één van haar zusters als die wat krap bij kas zit. En of ze beledigd zou zijn als ze een keer helemaal niets kreeg. En of je een uitwisseling van beleefdheden ook niet in de bek mag kijken.

Je knikt naar links, lacht naar rechts. Je verveelt je stierlijk en ergert je danig als je ziet hoe het volk zweet en zwoegt en iets te hard lacht voor de baas die iets te hard praat, raar loopt, of gekke hoedjes draagt. En je neemt je plotseling voor om voortaan alleen naar feestjes te gaan van mensen die je aardig vindt. Waarom?

Omdat je die stomme hoedjes niet uit je hoofd kunt zetten.
Omdat je geen cadeautjes wilt geven aan mensen die alles al hebben.
Omdat je geen cadeautjes wilt geven aan mensen waar je niks mee hebt.

Maar vooral omdat een overweldigende overtuiging en verademing over je heen golfde toen je hoorde dat Stichting Tegen-beeld ook geen cadeautje wil geven aan onze koningin.

(Pablo Cabenda in de rubriek 'Schone Schijn' van het Leidsch Dagblad van zaterdag 1 april 2000)


Op

Cultuur op de muur

Honderd Geliefden van Garcia Lorca.

Honderd Geliefden van Garcia Lorca.

Leiden herbergt een kostbare fractie van de wereldpoëzie: twee kunstenaars schilderden 101 gedichten van beroemde dichters op muren in de stad. Waarom? En met welke gevolgen?

In de schaduw van het Kamerlingh Onnes Laboratorium in Leiden prijkt het laatste muurgedicht: Honderd Geliefden, van Garcia Lorca. "Wij hadden ook het gevoel dat we honderd (en één) geliefden achterlieten in de stad, dus we vonden dat wel een gepaste afsluiting." Kunstenaar Ben Walenkamp leunt achterover in zijn stoel en trekt aan zijn pijp. Hij vertelt hoe hij samen met schilder Jan-Willem Bruins het project van de muurgedichten uitvoerde.

Illegaal begonnen

"Aan het begin van de jaren '90 was het 75 jaar geleden dat Theo van Doesburg de kunstenaarsbeweging De Stijl oprichtte. Zo ontstond het idee om zijn gedichten op muren in Leiden te schilderen. Maar vanwege een gebrek aan geld, tijd en toestemming kon dit niet doorgaan." Bruins en Walenkamp kiezen daarom in 1992 voor de wereldpoëzie. De bevriende eigenaar van een boekhandel is enthousiast over het project en stelt zijn muur beschikbaar voor een gedicht van Marina Tsvetajeva. "Zij zou honderd jaar geleden zijn geboren als het muurgedicht af was." Op dat moment heeft Walenkamp geleerd van de eerdere onwil binnen de gemeente: "We zijn toen illegaal begonnen. De gemeente wilde commissies instellen, maar dat vonden we niets. Ook gingen we niet van tevoren zeggen welke muren we zouden gebruiken." Al snel na aanvang juichen stad en bestuur het project toe. Walenkamp krijgt muur na muur aangeboden. In 2004 legt hij de laatste hand aan het project.

Eigen keuze

Of het nu een dichter is, de gemeente, of een huiseigenaar: Bruins en Walenkamp houden het laatste woord bij de keuze van gedicht en vorm. Toch proberen ze rekening te houden met de wensen van huisbazen. "Maar dan komen ze met vreselijke dingen. Er was een bewoner aan de Vliet. Vanwege de achtergrond van deze plek wilde die man een geuzengedicht over drie oktober op zijn muur. Nu hangt er een gedicht van Pessoa."

Walenkamp benadrukt dat het persoonlijke en uiteenlopende keuzes zijn. "We gebruiken alle thema's, behalve religie." Toen de Plaatselijke Kamer van Verenigingen een spiritueel getint gedicht van Ida Gerhardt wilde schenken aan de pas gepensioneerd rector magnificus, was Walenkamp dan ook niet gecharmeerd. "We vonden dat een slecht gedicht en hebben het geweigerd. Het is toen door iemand anders op de muur gezet."

Keerzijde succes

Het project heeft nevenprojecten tot gevolg. Zo verschijnt er een cd met een aantal van de muurgedichten in muziekvorm. Ook organiseert Walenkamp samen met de gelieerde Stichting TEGEN-BEELD een reeks voordrachtenavonden op de Koornbrug. Deze manifestaties blijken al even succesvol en dit stuit Walenkamp tegen de borst: "Het werd meer een social event dan dat het poëzie was. Komende keer wordt het daarom korter, zodat mensen luisteren in plaats van dat ze denken: poëzie, we zien elkaar."

Dat de commercie soms aan de haal gaat met zijn idee, bevalt Walenkamp evenmin. Andere Nederlandse steden maakten in het teken van citymarketing varianten op zijn project. "We zijn niet begonnen omdat het zo'n geweldige reclame voor de stad zou zijn. We wilden gewoon gedichten en culturen laten zien." Over rondleidingen langs de muurgedichten is hij duidelijk. "Je kunt dat toch nooit in je opnemen! Wel vind ik het leuk om te zien hoe mensen spontaan stilstaan bij een gedicht."

Poëzieplannen

Hoewel het project in 2004 afgerond werd, zijn Walenkamp en Bruins nog altijd in de weer met poëzie, al dan niet op muur. Ze zijn bezig met restauratie van de muurgedichten, waarvoor de gemeente subsidie heeft gegeven. Daarnaast hebben Walenkamp en Bruins hun hoop op het buitenland gevestigd. "We willen eigenlijk Europa door. In de Franse stad Narbonne hebben we al een gedicht geschilderd en nu willen we één in Parijs plaatsen." Hoewel de Franse bureaucratie stroef is, gelooft Walenkamp dat het plan na veel gelobby bijna rond is.

In eigen land vindt een memorabel moment plaats: dit jaar is het negentig jaar geleden dat Theo van Doesburg De Stijl oprichtte. Walenkamp organiseert daarom op 7 juni met TEGEN-BEELD een poëziemanifestatie die korter, maar heftiger wordt dan voorgaande edities. Noteer de datum op je muur.

(Posted by Erik van den Berg on 03 mei 2007 17:17 op Newsshot.nl)


Op

Nieuwe serie muurgedichten

Walenkamp en Bruins komen terug op eerder besluit

101 muurgedichten telt de stad Leiden. Ze zijn het resultaat van het project Gedichten op Muren, gestart in 1992, door de twee voormannen van de stichting Tegen-Beeld, Ben Walenkamp en Jan-Willem Bruins. In 2005 besloten de twee na gedicht 101 te stoppen, maar ze hebben nu aangegeven verder te gaan.

De stichting van Walenkamp en bruins is met poŽzie bezig sinds 1989, het jaar van de oprichting van de stichting. Sinds 1998 wordt er bijna elk jaar een openlucht poŽziemanifestatie georganiseerd in Leiden. Het meest bekend is de stichting echter om zijn muurgedichten.

Een deel van de gedichten is Nederlandstalig, maar vooral buitenlandse talen domineren de poŽzie: meer dan 30 verschillende talen sieren de Leidse muren. Ook de vorm onderscheidt de gedichten van elkaar: Bruins brengt ieder gedicht met een ander zelf vormgegeven lettertype aan. Een plattegrond van leiden waarop alle 1010 gedichten staan aangegeven, is te vinden in restaurant De Stadthouder aan de Nieuwe Rijn, en ook deze schildering heeft Bruins zelf aangebracht.

Overigens zijn de twee niet helemaal gestopt. In het buiten land hebben zij bepaalde activiteiten, en in Leiden worden ieder jaar gedichten gerestaureerd. Maar dat bevredigde niet. “Het restaureren is wel leuk, maar ondanks de veranderingen die we aanbrengen is het niet vernieuwend. Daarom hebben we besloten verder te gaan met de muurgedichten”. Over de hoeveelheid gedichten kan Walenkamp nog niks zeggen noch over de precieze gedichten die er zullen komen. “Het belangrijkste is dat wij het goedkeuren, wij doen niet wat anderen leuk vinden”.

Te koud

Dit lijkt ook voor hun manier van aanpakken te gelden. Want het liefst bespreken Walenkamp en Bruins hun plannen met zo min mogelijk mensen. “Als wij een idee voor een gedicht op een bepaalde muur in Lieden hebben en de eigenaar van het pand vindt het goed, dan wordt het gedicht aangebracht. Nee, de officiŽle stappen volgen wij niet.” “Veel last hebben we hiermee nog niet gehad Af en toe een aanvaring met de gemeente omdat ze een schets wilden zien hoe het er uit ging zien, en deze vroegen ze zelfs bij restauraties, maar het gedicht kwam er altijd.”

De gedichten komen er dus aan, maar Leiden zal nog een paar maanden moeten wachten. “In de herfst en de winter brengen we weinig tot geen gedichten aan. Met die kou en eventuele regen is het schilderen niks waard. Het moet wel leuk voor ons blijven, we zijn al oud! Haha.”

(Anne Gotink in Het Witte Weekblad van 3 februari 2010)

Op Terug Home Opvolgend onderwerp