'Le Bateau Ivre' (2008)

Flyer van de gedichtenavond ovr de Dronken Boot van Rimbaud

De 9e poëziemanifestatie van Stichting TEGEN-BEELD stond in het teken van het gedicht 'Le Bateau Ivre' ('De dronken boot') van Arthur Rimbaud.

9e Openlucht Poëziemanifestatie op en aan de Leidse Nieuwe Rijn op dinsdagavond 24 juni 2008.

De 9e poëziemanifestatie van Stichting TEGEN-BEELD stond in het teken van het gedicht 'Le Bateau Ivre' ('De dronken boot') van Arthur Rimbaud. De poëziemanifestatie op en aan het water van de Nieuwe Rijn - het stadshart van Leiden - vond plaats op 24 juni ter hoogte van de Koornbrug. De poëzieavond duurt van 21.30 tot ca. 23.00 en is gratis toegankelijk. Het gedicht 'Le Bateau Ivre' werd op theatrale en muzikale wijze verbeeld door o.a. Leidse scholieren, studenten en professionele theatermakers Fields of Wonder en Kuiper, Berbee & Friends.

Parijs

Oorspronkelijke aanleiding van dit evenement was het bijzondere feit dat Stichting TEGEN-BEELD in samenwerking met het Franse Rimbaudgenootschap het gedicht 'Le Bateau Ivre' zou aanbrengen op een muur aan het Place St. Sulpice in Parijs. Op dit plein heeft Arthur Rimbaud op 17 jarige (!) leeftijd het gedicht voor het eerst voorgedragen. Door moeilijkheden over de benodigde vergunningen zal het muurgedicht pas in juni 2009 worden aangebracht.

De dronken boot

Le Bateau Ivre (plaatje afkomstig van http://www.bateau-ivre.info

«Le Bateau Ivre» (plaatje afkomstig van de website «Le Bateau Ivre»).

Omdat het 'slechts' ging om 1 gedicht, was de duur van de avond korter dan voorgaande jaren. Dit keer werd begonnen om 21.30 uur en was het einde anderhalf uur later, rond 23.00 uur. Een select gezelschap was uitgenodigd het 100 regels tellende gedicht groots en meeslepend voor te dragen en of uit te beelden. Hieronder professionele theater- en muziekgezelschappen uit Leiden, zoals Fields of Wonder en Kuiper & Berbee die op eerdere poëziemanifestaties spectaculaire optredens hebben verzorgd en 17 jarige leerlingen van het Da Vinci College (Rimbaud schreef het gedicht toen hij 17 jaar oud was). Het gedicht werd geheel binnen de traditie van de poëziemanifestaties allereerst in het Frans voorgedragen door de in Leiden wonende of Française Georgina Dat.

De poëziemanifestatie was gratis toegankelijk en bereikte vanaf de terrassen en terrasboten op de Vismarkt en de Nieuwe Rijn een breed publiek. Zowel gerichte in poëzie geïnteresseerden als toevallige voorbijgangers, jong en oud maken kennis met poëzie en theater. De poëziemanifestatie was ook per boot bereikbaar.

Gedichtenbundel

Bij de poëziemanifestatie in 2008 verscheen in kleine oplage een uitgave van het gedicht van Rimbaud  plus een essay van vertaler Paul Claes. Hierna de complete tekst van het gedicht in het Frans en het Nederlands, met bovendien een vertaling in het Engels.

Organisatie

De organisatie was opnieuw in handen van Ben Walenkamp en Jacowies Surie (JSkunstprojecten)

Voor meer informatie: 
Stichting TEGEN-BEELD 
Nieuwe Rijn 46 
2312 JG Leiden

info@jskunstprojecten.nl


Nederlands
De dronken boot

Terwijl ik afvoer van de onbewogen Stromen, 
Ging ik, verlaten door de slepers, aan de haal: 
Roodhuiden hadden krijsend hen tot schijf genomen 
Die naakt gespijkerd waren aan de kleurenpaal.

Ik maalde niet om manschappen en al die rommel,
Met mijn Vlaams graan of Engelse katoen aan boord.
Toen met mijn slepers ook een eind kwam aan 't gestommel, 
Hebben de Stromen mijn afvaart niet meer verstoord.

Ik ben door de getijden met hun razend branden
Verleden winter, dover dan kinderverstand 
Gelopen! En de losgeslagen Schiereilanden 
Beleefden nooit een triomfanter trammelant.

De storm kwam mijn ontwaken op de zeeën wijden.
Ik danste lichter dan een kurk op golven hoog,
Waar slachtoffers voortwentelen sinds alle tijden, 
Tien nachten, zonder spijt om 't stomme bakenoog!

Zoeter dan kinderen zuur appelvlees kan smaken, 
Zocht het groen water door mijn dennenromp zijn weg 
En wies de vlekken van de blauwe wijn en 't braken
Van mij af bij 't verslingeren van roer en dreg.

En sedertdien ben ik in het Gedicht verzonken 
Der Zee, dat melkig met gesternten is doorstraald,
En vreet ik groen azuur, waar, dobber bleek en dronken, 
Wel eens een mijmerende drenkeling in daalt;

Waar plotseling de blauwten vervend, siddering en
Traag schokken in het goudrood van de dageraad, 
Sterker dan brandewijn en grootser dan ons zingen, 
De rosheid van de liefde wrang aan 't gisten gaat!

Ik ken de lucht die barst in bliksems, en de hozen,
Rollers en stromingen: ik ken de schemering,
Het als een duivenschaar verheven Ochtendblozen, 
En zag soms wat de mens zag in begoocheling!

Ik zag de lage zon, bevlekt met gruweltekens, 
Haar schijnsel werpen, tot lang violet gestold,
Op wat acteurs van oeroude tragedies leken, 
De golven, met geril van schoepen aangerold!

Ik droomde de nacht groen van schrille sneeuwlandschappen,
Zoen die naar 't oog der zeeën dreef met stage drang, 
De omloop van de ongehoorde plantensappen
En 't geel-blauwe ontwaken van de fosforzang!

Ik volgde maandenlang de loeiend opgejaagde 
Branding die tegen de riffen was opgerukt, 
Vergetend dat de lichtende voet van de Maagden 
De snuit van snuivende Oceanen onderdrukt.

Ik stiet echt op fantastische Florida's, landen 
Vol bloemen en ogen van panters met de bast 
Van mensen! Regenbogen die als tornen spanden 
Onder de einder, aan turkooizen kudden vast!

Ik zag ontzaglijke moerassen gisten, fuiken
Waar in de biezen een Leviathan verteert! 
Windstille wateren die in de diepte duiken, 
En heel de kim die in de kolking cascadeert!

Ijs, zilverzonnen, parelgolven, lucht vol vlammen! 
Walglijke strandplaatsen in bruine baaien waar
Door wantsen aangevreten, uit verwrongen stammen
De reuzenslangen storten, van zwart dampen zwaar!

Ik had aan kinderen die doraden willen wijzen,
Die goud-vissen, die zang-vissen van 't blauwe meer. 
- Geschuim van bloemen wiegde mijn verwaaide reizen 
En wonderlijke winden wiekten mij steeds weer.

Mij, martelaar die polen en zones vervelen,
Heeft soms de zee, wier snik mij aan het deinen hield, 
Haar schaduwbloemen toegeheven met hun gele 
Zuignappen, en ik bleef zoals een vrouw geknield...

Schier eiland, en ik schudde op mijn boorden snauwen 
En drek van vogels, blondogige kwetteraars,
En stevende, terwijl dwars door mijn broze touwen 
Verdronkenen te ruste daalden, achterwaarts!

Ik, deze boot in 't haar van inhammen verborgen,
Door storm in 't vogelloze zwerk geslingerd, ik, 
Van wie de waterdronken romp wel nooit geborgen 
Zou worden door een Monitor of Hanzebrik;

Vrij, dampend en bemand met violette misten,
Ik die de lucht doorboorde, blozend als een muur
Vol met als stroop aan ware dichters opgediste 
Korstmossen van zonlicht en snotslijm van azuur,

Die liep, gevlekt met elektrische maansikkels, 
Een dolle plank in een zwarte zeepaardjesstoet, 
Toen hemels van ultramarijn onder de prikkels
Van julimaanden ploften in de trechtergloed;

Ik, die op vijftig mijl de bronstkreet van de brede 
Behemoths en Maalstromen bevend had gehoord, 
Ik, eeuwig kruiser van de blauwe roerloosheden, 
Werd door Europa's oude wallen weer bekoord!

'k Zag sterrenarchipels! En eilanden die wachten 
Op zeilers met hun hemel vol vervoerde pracht: 
- Slaapt gij verbannen in die bodemloze nachten, 
Miljoenen gouden vogels, toekomstige Kracht?

Maar echt, ik heb te veel geweend! De Morgens kwellen, 
Te wreed is elke maan, te bitter elke zon:
De wrange liefde liet mijn loom bedwelmen zwellen. 
0 kraakte maar mijn kiel! 0 dat ik zinken kon!

Als mij één water in Europa kan behagen,
Is 't die kilzwarte plas waar avondbalsem zweeft,
Terwijl een neergehurkt kind er terneergeslagen 
Een boot broos als een meivlinder de vrijheid geeft.

Ik kan niet meer, doordrenkt van uw verdriet, o baren, 
In 't zog van de katoenschuiten laveren gaan,
Of door de trots van vlaggen en van wimpels varen, 
Of 't vreselijke oog van de pontons weerstaan.

(vertaling van Paul Claes)
Frans
Le bateau ivre

 Comme je descendais des Fleuves impassibles,
Je ne me sentis plus guidé par les haleurs :
Des Peaux-Rouges criards les avaient pris pour cibles,
Les ayant cloués nus aux poteaux de couleurs.

J'étais insoucieux de tous les équipages,
Porteur de blés flamands ou de cotons anglais.
Quand avec mes haleurs ont fini ces tapages,
Les Fleuves m'ont laissé descendre où je voulais.

Dans les clapotements furieux des marées,
Moi, l'autre hiver, plus sourd que les cerveaux d'enfants,
Je courus ! Et les Péninsules démarrées
N'ont pas subi tohu-bohus plus triomphants.

La tempête a béni mes éveils maritimes.
Plus léger qu'un bouchon j'ai dansé sur les flots
Qu'on appelle rouleurs éternels de victimes,
Dix nuits, sans regretter l'oeil niais des falots !

Plus douce qu'aux enfants la chair des pommes sures,
L'eau verte pénétra ma coque de sapin
Et des taches de vins bleus et des vomissures
Me lava, dispersant gouvernail et grappin.

Et dès lors, je me suis baigné dans le Poème
De la Mer, infusé d'astres, et lactescent,
Dévorant les azurs verts ; où, flottaison blême
Et ravie, un noyé pensif parfois descend ;

Où, teignant tout à coup les bleuités, délires
Et rhythmes lents sous les rutilements du jour,
Plus fortes que l'alcool, plus vastes que nos lyres,
Fermentent les rousseurs amères de l'amour !

Je sais les cieux crevant en éclairs, et les trombes
Et les ressacs et les courants : je sais le soir,
L'Aube exaltée ainsi qu'un peuple de colombes,
Et j'ai vu quelquefois ce que l'homme a cru voir !

J'ai vu le soleil bas, taché d'horreurs mystiques,
Illuminant de longs figements violets,
Pareils à des acteurs de drames très antiques
Les flots roulant au loin leurs frissons de volets !

J'ai rêvé la nuit verte aux neiges éblouies,
Baiser montant aux yeux des mers avec lenteurs,
La circulation des sèves inouïes,
Et l'éveil jaune et bleu des phosphores chanteurs !

J'ai suivi, des mois pleins, pareille aux vacheries
Hystériques, la houle à l'assaut des récifs,
Sans songer que les pieds lumineux des Maries
Pussent forcer le mufle aux Océans poussifs !

J'ai heurté, savez-vous, d'incroyables Florides
Mêlant aux fleurs des yeux de panthères à peaux
D'hommes ! Des arcs-en-ciel tendus comme des brides
Sous l'horizon des mers, à de glauques troupeaux !

J'ai vu fermenter les marais énormes, nasses
Où pourrit dans les joncs tout un Léviathan !
Des écroulements d'eaux au milieu des bonaces,
Et les lointains vers les gouffres cataractant !

Glaciers, soleils d'argent, flots nacreux, cieux de braises !
Échouages hideux au fond des golfes bruns
Où les serpents géants dévorés des punaises
Choient, des arbres tordus, avec de noirs parfums !

J'aurais voulu montrer aux enfants ces dorades
Du flot bleu, ces poissons d'or, ces poissons chantants.
- Des écumes de fleurs ont bercé mes dérades
Et d'ineffables vents m'ont ailé par instants.

Parfois, martyr lassé des pôles et des zones,
La mer dont le sanglot faisait mon roulis doux
Montait vers moi ses fleurs d'ombre aux ventouses jaunes
Et je restais, ainsi qu'une femme à genoux...

Presque île, ballottant sur mes bords les querelles
Et les fientes d'oiseaux clabaudeurs aux yeux blonds.
Et je voguais, lorsqu'à travers mes liens frêles
Des noyés descendaient dormir, à reculons !

Or moi, bateau perdu sous les cheveux des anses,
Jeté par l'ouragan dans l'éther sans oiseau,
Moi dont les Monitors et les voiliers des Hanses
N'auraient pas repêché la carcasse ivre d'eau ;

Libre, fumant, monté de brumes violettes,
Moi qui trouais le ciel rougeoyant comme un mur
Qui porte, confiture exquise aux bons poètes,
Des lichens de soleil et des morves d'azur ;

Qui courais, taché de lunules électriques,
Planche folle, escorté des hippocampes noirs,
Quand les juillets faisaient crouler à coups de triques
Les cieux ultramarins aux ardents entonnoirs ;

Moi qui tremblais, sentant geindre à cinquante lieues
Le rut des Béhémots et les Maelstroms épais,
Fileur éternel des immobilités bleues,
Je regrette l'Europe aux anciens parapets !

J'ai vu des archipels sidéraux ! et des îles
Dont les cieux délirants sont ouverts au vogueur :
- Est-ce en ces nuits sans fonds que tu dors et t'exiles,
Million d'oiseaux d'or, ô future Vigueur ?

Mais, vrai, j'ai trop pleuré ! Les Aubes sont navrantes. 
Toute lune est atroce et tout soleil amer :
L'âcre amour m'a gonflé de torpeurs enivrantes.
Ô que ma quille éclate ! Ô que j'aille à la mer !

Si je désire une eau d'Europe, c'est la flache
Noire et froide où vers le crépuscule embaumé
Un enfant accroupi plein de tristesse, lâche
Un bateau frêle comme un papillon de mai.

Je ne puis plus, baigné de vos langueurs, ô lames,
Enlever leur sillage aux porteurs de cotons,
Ni traverser l'orgueil des drapeaux et des flammes,
Ni nager sous les yeux horribles des pontons.

(Arthur Rimbaud, Recueil : Poésies) 
Engels
The drunken boat

As I was floating down unconcerned Rivers
I no longer felt myself steered by the haulers:
Gaudy Redskins had taken them for targets
Nailing them naked to coloured stakes. 

I cared nothing for all my crews,
Carrying Flemish wheat or English cottons. 
When, along with my haulers those uproars were done with 
The Rivers let me sail downstream where I pleased. 

Into the ferocious tide-rips
Last winter, more absorbed than the minds of children,
I ran! And the unmoored Peninsulas 
Never endured more triumphant clamourings 

The storm made bliss of my sea-borne awakenings.
Lighter than a cork, I danced on the waves 
Which men call eternal rollers of victims, 
For ten nights, without once missing the foolish eye of the 
                                                                                  harbor lights! 
Sweeter than the flesh of sour apples to children,
The green water penetrated my pinewood hull 
And washed me clean of the bluish wine-stains and the 
splashes of vomit, Carring away both rudder and anchor. 

And from that time on I bathed in the Poem 
Of the Sea, star-infused and churned into milk, 
Devouring the green azures; where, entranced in pallid flotsam,
A dreaming drowned man sometimes goes down; 

Where, suddenly dyeing the bluenesses, deliriums
And slow rhythms under the gleams of the daylight, 
Stronger than alcohol, vaster than music
Ferment the bitter rednesses of love! 

I have come to know the skies splitting with lightnings, and the 
waterspouts  And the breakers and currents; I know the evening,
And Dawn rising up like a flock of doves,
And sometimes I have seen what men have imagined they saw! 

I have seen the low-hanging sun speckled with mystic horrors.
Lighting up long violet coagulations, 
Like the performers in very-antique dramas 
Waves rolling back into the distances their shiverings of 
                                                                                venetian blinds! 
I have dreamed of the green night of the dazzled snows
The kiss rising slowly to the eyes of the seas,
The circulation of undreamed-of saps, 
And the yellow-blue awakenings of singing phosphorus! 

I have followed, for whole months on end, the swells
Battering the reefs like hysterical herds of cows, 
Never dreaming that the luminous feet of the Marys
Could force back the muzzles of snorting Oceans! 

I have struck, do you realize, incredible Floridas
Where mingle with flowers the eyes of panthers
In human skins! Rainbows stretched like bridles
Under the seas' horizon, to glaucous herds! 

I have seen the enormous swamps seething, traps
Where a whole leviathan rots in the reeds!
Downfalls of waters in the midst of the calm
And distances cataracting down into abysses! 

Glaciers, suns of silver, waves of pearl, skies of red-hot coals!
Hideous wrecks at the bottom of brown gulfs
Where the giant snakes devoured by vermin
Fall from the twisted trees with black odours! 

I should have liked to show to children those dolphins
Of the blue wave, those golden, those singing fishes.
- Foam of flowers rocked my driftings
And at times ineffable winds would lend me wings. 

Sometimes, a martyr weary of poles and zones,
The sea whose sobs sweetened my rollings
Lifted its shadow-flowers with their yellow sucking disks toward me
And I hung there like a kneeling woman... 

Almost an island, tossing on my beaches the brawls
And droppings of pale-eyed, clamouring birds,
And I was scudding along when across my frayed cordage 
Drowned men sank backwards into sleep! 

But now I, a boat lost under the hair of coves,
Hurled by the hurricane into the birdless ether, 
I, whose wreck, dead-drunk and sodden with water,
neither Monitor nor Hanse ships would have fished up; 

Free, smoking, risen from violet fogs,
I who bored through the wall of the reddening sky 
Which bears a sweetmeat good poets find delicious, 
Lichens of sunlight [mixed] with azure snot, 

Who ran, speckled with lunula of electricity,
A crazy plank, with black sea-horses for escort, 
When Julys were crushing with cudgel blows 
Skies of ultramarine into burning funnels; 

I who trembled, to feel at fifty leagues' distance
The groans of Behemoth's rutting, and of the dense Maelstroms
Eternal spinner of blue immobilities
I long for Europe with it's aged old parapets! 

I have seen archipelagos of stars! and islands
Whose delirious skies are open to sailor: 
- Do you sleep, are you exiled in those bottomless nights,
Million golden birds, O Life Force of the future? - 

But, truly, I have wept too much! The Dawns are heartbreaking.
Every moon is atrocious and every sun bitter: 
Sharp love has swollen me up with heady langours. 
O let my keel split! O let me sink to the bottom! 

If there is one water in Europe I want, it is the 
Black cold pool where into the scented twilight
A child squatting full of sadness, launches
A boat as fragile as a butterfly in May. 

I can no more, bathed in your langours, O waves,
Sail in the wake of the carriers of cottons,
Nor undergo the pride of the flags and pennants,
Nor pull past the horrible eyes of the hulks.

(As translated by Oliver Bernard: Arthur Rimbaud, Collected Poems (1962))


Op

In de kranten :

Belletje met …
Jacowies Surie en Marinus van Sijdenborgh van JSkunstprojecten

JSkunstprojecten organiseert in samenwerking met Stichting TEGEN-BEELD op dinsdagavond 24 juni voor de negende keer de openlucht poeziemanifestatie in het hartje van Leiden. Een mooie gelegenheid om Jacowies en Marinus telefonische uitleg te vragen over wat poëzie met Red Bull te maken heeft.

Jacowies: "Poëzie is nooit saai! Maar als je het op een gewone manier zou voordragen dan is het wel statisch, ja. Daarom hebben we dit jaar aan twee theatergroepen, `Fields of Wonder' en 'Kuiper & Berbée', gevraagd om het geheel vorm te geven:'

Jacowies: "Dat is nog een grote verrassing. Maar Fields of Wonder staat bekend om zijn waanzinnige decors en Kuiper & Berbée om hun subtiele spel. Samen is dat een unieke combinatie. En dan komt er nog muziek en dans erbij, zodat het een echte belevenis wordt."

Marinus: "Er komt ook een modeshow op de Koornbrug, met een knipoog naar Parijs. Dit alles met een live muzikanten en een dj met een vette beat op de achter­grond:'

Jacowies: "Op de manifestatie wordt het gedicht le Bateau Ivre' (De Dronken Boot) uitgebeeld en verteld. Arthur Rimbaud schreef dit gedicht in 1871 op 17-jarige leeftijd in. En vlakbij het café in Parijs waar hij dit gedicht voor het eerst voordroeg, gaan we alle honderd regels van het gedicht op een muur schilderen:'

Marinus: "Ja hij had blijkbaar talent. En wat ook wel grappig is, het hele gedicht gaat over een dronken boot. Maar de beste kerel had nog nooit de zee gezien. Hij fantaseerde er zelf op los wat die boot allemaal ging beleven. Als het ware in een soort van delirium, maar dan actief."

Jacowies: "Ja, een culturele drug, haha”

Marinus: "Het is meer pep. Als je het gedicht leest, krijg je er een echte kick van. Denk dus niet een glaasje warme melk, maar denk een blikje Red Bull. Denk geen glas Vodka maar een Vodka Red Bull!"

Jacowies: "Volgens mij hadden we die als sponsor moeten zoeken:'’

Marinus: "Het wordt een varend spektakel. Al je zintuigen worden geprikkeld door watje ziet, hoort, en wie weet, ruikt”

Jacowies: "Je moet niet denken als je zo langs de kant zit, wat komt daar nu weer voor Peurbakkentocht voorbij varen. Je beleeft het. Over actief gesproken, er doen dit jaar veel 16- of 17-jarige jongeren mee die onder begeleiding van Fields of Wonder helpen aan het uitbeelden van het gedicht!"

Jacowies: "Om niks te missen. Het is een unieke beleving. Nergens in Nederland maak je zo iets mee. Het is niet even een voorstelling die je morgen weer kunt bezoeken:'’ Marinus: "Het wordt een avond om niet snel te vergeten. En het wordt mooi weer. Het is namelijk de week van volle maan. Het gedicht is de Red Bull-kick voor de rest van je avond, gegarandeerd!"

(L.o.s. juni 2008  Tekst Erik Janson)


Op

Poëzie op het water

Stichting Tegen-beeld organiseerde in samenwerking met JSkunst­projecten op dinsdagavond 24 juni voor de negende keer een openlucht-poëziemanifestatie in het hart van Leiden.

Het thema dit jaar was het gedicht Le Bateau Ivre  (De Dronken Boot) van Arthur Rimbaud. Het in grote getale toegestroomde publiek kon de manifestatie, die plaatsvond op schepen en langs de kades van de Nieuwe Rijn, gadeslaan vanaf de gezellige terrassen en vanaf de Visbrug. Om precies 21.30 uur werd deze manifestatie officieel geopend door burgemeester Henri Lenferink. In zijn openingsspeech merkte de heer Lenferink op dat de organisatie goed op de maanstand gelet moet hebben, want evenals voorgaande jaren was het nu ook weer een perfecte avond. Er hing een zwoele zomersfeer die zo goed past bij een dergelijk gebeuren. Hij raadde een­ieder aan de speciale bundel van Le Bateau Ivre aan te schaffen, niet alleen omdat men dan gemakkelijk de voordracht zou kunnen volgen, maar ook omdat dit boek in de boe­kenkast zeker niet zou misstaan. En het zou bovendien de Stichting Tegen-Beeld voldoende inspiratie brengen om ook volgend jaar weer zo'n avond te organiseren.

Gestorven dichters varen langs

Anton Korteweg, directeur van het Letterkundig Museum, memoreerde vervolgens de drie onlangs overleden dichters, die door de Stichting Tegen-Beeld zijn opgenomen in het Leidse muurgedichtenproject: Jan Eijkelboom, Hugo Claus en Paul Marijnis. Hij droeg onder meer het gedicht 'De grazende geit' voor.

Aansluitend werd het publiek telkens weer aangenaam verrast door de vele prachtige kostuums waarin de deelnemers zich gestoken had­den. Met her en der een vleugje humor voeren bijvoorbeeld geheel in het zwart geklede 'gestorven dichters' voorbij, en er was een boot waarop een pianist spelend langzaam door het water gleed. Een andere boot herbergde drie mannen die luid het bekende lied 'De kat van Ome Willem is op reis geweest' ver­tolkten. Weer een andere boot bood een podium aan twee heren die met stokbrood een komische act opvoer­den. De stokbroden overleefden dit gebeuren niet!

Le Bateau Ivre werd vertolkt door theatergezelschappen Fields of Wonder en Kuiper & Berbée in samenwerking met leerlingen van onder meer het Da Vinci College.

Anderhalf uur durende cocktail

De keuze voor Le Bateau Ivre hangt samen met het feit dat Stichting Tegen-beeld het 100 regels tellen­de gedicht gaat schilderen op een muur aan het Place St. Sulpice in Parijs, schuin tegenover het café waar Rimbaud in 1871 op 17-jarige leeftijd Le Bateau Ivre voordroeg. Ter gelegenheid hiervan verscheen dinsdag een bundel met het oorspronkelijke gedicht, een essay van Paul Claes en zijn vertaling van het gedicht. De Franse tekst is de roes en hallucinatie van een 'water­dronken boot', die in delirium door getij en stroom wordt meegevoerd. Het gedicht werd zowel aan als op het water uitgebeeld. Het publiek luisterde ademloos naar het door Georgina Dat met diepe passie en in perfect Frans voorgedragen gedicht. Daarna gaven de Theater­makers Fields of Wonder en Kuiper & Berbée het gedicht een eigentijds karakter en lieten door participatie van 17-jarige jongeren de onstuimi­ge gevoelswereld van de puber van toen en nu zien in een anderhalf uur durende cocktail van theater, muziek, dans en poëzie.

Uniek evenement

Het voordragen van poëzie in de openlucht is uniek in Nederland. De jaarlijkse poëziemanifestaties van Stichting Tegen-beeld zijn inmiddels een begrip: Nergens anders is poëzie op deze manier toegankelijk voor een breed publiek. Per keer trekken de manifestaties zo'n 2.500 bezoekers. Stichting Tegen-beeld is initiator van het Leidse muurge­dichtenproject, waarbij 101 gedichten uit binnen- en buitenland in hun oorspronkelijke taal op Leidse muren zijn geschilderd.

Hulde aan alle uitvoerenden van deze avond is zeker op zijn plaats. Hun vertolking en hun fantasti­sche kostuums waren een lust voor het oog. De uitbeelding van een langzaam door de gracht zwem­mende smetteloos witte zwaan, die prachtig afstak tegen de invallende duisternis, moet genoemd worden. Evenals een gedicht dat zingend werd voorgedragen door in witte pakken gehulde leerlingen van de kunstklassen drie, vier en vijf van het Da Vinci College. Dankzij hen werd dit theater van de poëzie tot een geweldige sfeervolle avond gemaakt.

(LEIDS NIEUWSBLAD Weekend Blz. 3 door Cathy van Driesten)


Op

Herrie op Leidse grachten

De poëziemanifestatie in de grachten van Leiden stond gisteren in het teken van het gedicht Le Bateau ivre van Arthur Rimbaud (1854-1891). Met muziek en performances.

Nog maar 17 jaar oud is Arthur Rimbaud als hij zijn befaamde Le Bateau ivre (de dronken boot) in 1871 naar de Parijse dichter Paul Verlaine stuurt. Zouden de verzen aanslaan? Zou er in de hoofdstedelijke salons ruimte zijn voor de jongen die zo graag aan het provinciale milieu wilde ontsnappen? Verlaines antwoord maakt een einde aan alle onzekerheid. „Kom, mijn grote ziel, we roepen u, we wachten op u”, schrijft hij lyrisch. Een krappe anderhalve eeuw later is De dronken boot het uitgangspunt voor een poëziemanifestatie in de grachten van Leiden. Voor het eerst in de negenjarige geschiedenis van de manifestatie staat niet een oeuvre, maar één gedicht centraal. De theatergroepen Fields of wonder en Kuiper en Berbeé, de scholieren van het Leidse Da Vinci College en diverse muzikanten werkten samen aan een ruim twee uur durende theatrale vertolking van Rimbaud’s gedicht.

Het is een vuurdoop voor de makers, want er is vooraf niet proefgedraaid, aldus Jacowies Surie van organisator Tegen-Beeld. „De hele voorstelling vindt plaats op boten, vlotten en sloepen en daarmee kun je niet in de grachten gaan oefenen. Dan zouden we alles al weggeven aan het publiek. Het is doodeng dat we het nu eigenlijk voor het eerst doen.”

Twee clochards op een dolgedraaid schip jutten het publiek langs de kades op, waarna een pianist in doodgraverskostuum in een sloep voorbijdrijft en een treurige melodie ten gehore brengt. Daarna duiken de ‘roodhuiden’ op boomstammen op, uit regel drie van De dronken boot, voortgetrokken door twee roeiers.

De manische lyriek van Le Bateau ivre wordt twee keer imposant vertolkt. Ten eerste wanneer de als drag-queens uitgedoste dansers op luide techno-muziek tekeergaan en later op de avond nog eens wanneer een noise-band vanaf een ponton een hels lawaai op de terrassen afvuurt. Voor de Leidse bestuurders en geldschieters op de eerste rij van het publiek moet het na alle verstilling even schrikken geweest zijn. Poëzie komt vaak op kousevoeten voorbij, maar laat in dit geval ook mooi zien dat het giftiger kan zijn dan welke kunstvorm ook. Bij welk deel van het gedicht we met de aanstekelijke bak herrie waren aanbeland werd er niet bij verteld, maar het zal ongetwijfeld iets te maken hebben met de ‘verrukkelijke en verschrikkelijke visioenen’ die volgens Rimbaud-vertaler Paul Claes na strofe 8 in Le Bateau ivre te lezen zijn. 

(Woensdag 25 juni 2008 in NRC Boeken door Sebastiaan Kort )


Op Terug Home Terug naar de inleiding